De verzekeringsgift: Vlaams versus federaal standpunt

De Vlaamse belastingdienst (Vlabel) heeft recent nieuwe standpunten ingenomen over enkele bekende technieken van successieplanning. Opvallend is dat deze standpunten afwijken van de standpunten die door de federale overheid worden ingenomen. Daardoor worden technieken die tot voor kort aanvaardbaar waren voor de federale fiscus, plots niet meer aanvaardbaar. In deze bijdrage focussen we ons op de verzekeringsgift.

Inleiding: Vlaanderen bevoegd voor erfbelasting en registratiebelasting

De gewesten zijn al lange tijd bevoegd voor successierechten en registratierechten. Ze hebben daar gebruik van gemaakt om de regelgeving per gewest aan te passen. Bijzonder is dat het Vlaams Gewest (en enkel het Vlaams Gewest) sinds 2015 zelf ook de dienst van deze belastingen waarneemt. Dit betekent o.a. dat Vlaanderen zelf de belasting invordert.

Het brengt echter ook met zich mee dat de Vlaamse belastingdienst (of Vlabel) nu zelf standpunten kan innemen om deze regelgeving verder te verduidelijken. Initieel werden de bestaande federale standpunten overgenomen. De laatste maanden heeft Vlabel echter heel wat nieuwe afwijkende standpunten ingenomen.

De verzekeringsgift: schenker schenkt polis aan begunstigde

De verzekeringsgift begint natuurlijk met het afsluiten van een levensverzekering. Een persoon (bv. een moeder) sluit een levensverzekering af en duidt een begunstigde aan (bv. haar dochter), die een som zal ontvangen bij het overlijden van de verzekerde (de moeder). Er zijn drie partijen in dit contract: de verzekeringsnemer (de moeder = A), de verzekerde (opnieuw de moeder = A) en een begunstigde (de dochter = B). Dit contract is dus een AAB-polis.

De verzekeringsnemer (moeder) schenkt de polis aan de begiftigde (dochter). Hierdoor neemt de dochter de rechten van de moeder over en wordt ze zowel verzekeringsnemer als begunstigde. In deze nieuwe situatie zijn er nog steeds drie partijen: de verzekeringsnemer (de dochter = B), de verzekerde (nog steeds de moeder = A) en een begunstigde (opnieuw de dochter = B). Het contract is dus een BAB-polis geworden.

Aangezien het gaat om een schenking is er schenkbelasting verschuldigd. Die bedraagt 3 % op de afkoopwaarde van het contract.

Wat bij overlijden van de moeder?

Bij het overlijden van de moeder wordt het kapitaal van de levensverzekering uitgekeerd aan de dochter. Wat moet er dan gebeuren. Er werd al schenkbelasting betaald. Is dat voldoende? Of moet de dochter alsnog erfbelasting betalen op de ontvangen uitkering?

Het federale standpunt

Volgens de federale administratie zijn er geen bijkomende successierechten meer verschuldigd bij het overlijden. De nodige registratierechten zijn immers betaald bij de schenking. Dit federaal standpunt werd tot voor kort ook in Vlaanderen gevolgd. Vlabel denkt er ondertussen echter anders over (zie hieronder). Het federale standpunt blijft echter wel gelden voor inwoners van het Waals en Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Het Vlaamse standpunt

Vlabel kiest evenwel voor een radicaal andere oplossing: voor overlijdens vanaf 1 maart 2016 is er na een verzekeringsgift (zelfs als er schenkbelasting werd betaald), toch nog erfbelasting verschuldigd bij het overlijden van de verzekerde en dit ongeacht het moment van de schenking.

Wie in het Vlaams Gewest woont en in het verleden een verzekeringsgift heeft gedaan, dreigt opnieuw te moeten betalen en zal zijn successieplanning moeten herdenken.

Ontsnappingsmogelijkheid?

Zoals de situatie er nu voor staat, dreigt de begunstigde twee keer te moeten betalen.

Toch zijn er nog twee manieren waarop de begunstigde dit kan vermijden.

De begunstigde die de levensverzekering geschonken heeft gekregen, duidt op zijn beurt een nieuwe begunstigde aan. Hierdoor zijn er opnieuw drie partijen: de verzekeringsnemer (de dochter = B), de nieuwe begunstigde (bv. de (klein)zoon = C) en de verzekerde (nog steeds de moeder = A).
Let op: het is niet mogelijk tijdelijk een andere begunstigde (C) aan te duiden en later terug te switchen naar de oorspronkelijke begunstigde (B).

Eén van beide partijen kan de polis afkopen. Ofwel koopt de verzekeringsnemer/verzekerde (moeder = A) de polis af en schenkt het geld aan haar dochter. Om helemaal zeker te zijn, kan er op dat moment al schenkingsbelasting worden betaald, zodat er later geen erfbelasting meer betaald moet worden. Alternatief is dat de begiftigde (de dochter = B) na de schenking onmiddellijk de polis afkoopt (en het geld in een ander instrument investeert).

Nieuws

Bij een inbreng, fusie of splitsing is het niet ongebruikelijk dat de partijen een bepaalde datum vastprikken voor de waardering van hun deal. Vervolgens worden nog diverse afspraken gemaakt en wordt het contract soms pas maanden later getekend. Hoe gaat de fiscus om met die terugwerkende kracht.

Eind 2020 verhoogde de wetgever het standaardtarief van de investeringsaftrek van 8% naar 25% voor de vaste activa die worden verkregen of tot stand gebracht tussen 12 maart 2020 en 31 december 2022. Daardoor ligt het standaardtarief hoger dan het ‘verhoogde tarief’. Welk tarief is toepasselijk voor investeringen die onder aanslagjaar 2023 vallen ?

Als de vennootschap een kost draagt die de bedrijfsleider ten goede komt, kán die uitgave volgens de bezoldigingstheorie beschouwd worden als een vergoeding voor het geleverde werk. Onder voorwaarden. Het Hof van Beroep van Antwerpen besliste onlangs dat een stijging van de omzet een goed argument is in die discussie.

Schrijf u in op onze nieuwsbrief