Jongeren tewerkstellen aan een verlaagd brutoloon

Binnenkort kunnen werkgevers tijdelijk een loon betalen dat onder het minimumloon ligt. De nieuwe maatregel voor jongeren zonder werkervaring wordt geïntegreerd in het regelgevend kader van de startbaanovereenkomst. Hoe verloopt de uitbouw van starterjobs voor jongeren in de praktijk?

Starterjob

In principe vanaf 1 juli 2018 (zie verder) kunnen werkgevers uit de private sector (toepassing van de cao-wet van 1968) tijdelijk een loon betalen dat onder het minimumloon ligt. Voor een starterjob moeten de nieuwe werknemers aan de volgende criteria voldoen:

jonger zijn dan 21 jaar (op de laatste dag van de maand nog geen 19, 20 of 21 jaar oud zijn)

een arbeidsovereenkomst starterjob van onbepaalde duur afsluiten

niet beschikken over eerdere werkervaring

een minimumloon ontvangen (het sectoraal minimumloon of het GGMMI, d.i. het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen)

Enkele specifieke overeenkomsten (combinatie met opleiding, leerlingen, wedertewerkstellingsprogramma, doorstromingscontract) komen niet in aanmerking. Ook de overeenkomst voor tewerkstelling van studenten wordt uitgesloten.

De notie 'zonder werkervaring' is zodanig omschreven dat kortere periodes van tewerkstelling niet als werkervaring meetellen en de toepassing van de maatregel niet verhinderen bij volgende tewerkstellingen.

Wanneer de werkgever aangifte doet van de tewerkstelling via Dimona, ontvangt hij een bericht over de werkervaring. Voldoet de werknemer niet, dan krijgt de werkgever een waarschuwing. Op die manier weet hij dat hij het loon van de jongere niet mag verminderen.

Tijdelijk verminderingspercentage

De werkgever mag het loon van de jongere tijdelijk verlagen door een verminderingspercentage toe te passen. Dit percentage hangt af van de leeftijd van de jongere op het einde van de maand:

het brutoloon van 18-jarigen vermindert met 18%

het brutoloon van 19-jarigen vermindert met 12%

het brutoloon van 20-jarigen vermindert met 6%

Voor jongeren vanaf 21 jaar betaalt de werkgever opnieuw de volle 100%.

Forfaitaire toeslag voor werknemer

Om te vermijden dat de jongere netto minder zou ontvangen, betaalt de werkgever bovenop het nettoloon een forfaitaire toeslag aan de jongere in elke maand waarin hij het loon vermindert. Die toeslag wordt fiscaal en sociaal volledig vrijgesteld, dus geen bijdragen voor de sociale zekerheid en geen fiscale inhoudingen.

Het exacte bedrag van die forfaits wordt nog bij koninklijk besluit bepaald (dus best wachten met het afsluiten van deze overeenkomst tot dit kb is verschenen). Dit gebeurt aan de hand van een tabel die aangeeft hoeveel nettoloon de jongere in theorie zou verliezen door de verlaging van het brutoloon. De leeftijd en het bedrag van het niet-verminderde minimumloon zijn daarbij bepalend.

Fiscale compensatie voor werkgever

De toeslag zal vrijgesteld zijn van socialezekerheidsbijdragen en bedrijfsvoorheffing. Hij wordt voor de werknemer ook vrijgesteld van personenbelasting.
Het totaal van de bedrijfsvoorheffing die de werkgever verschuldigd is, mag verminderd worden met het totaal van de betaalde forfaitaire toeslagen. Het deel van de forfaitaire toeslagen dat niet verrekend kan worden met de bedrijfsvoorheffing van hetzelfde kalenderjaar is fiscaal aftrekbaar voor de werkgever.

Sanctie

Werkgevers die de voorwaarden niet naleven, moeten het gewone minimumloon betalen. Met RSZ en met bedrijfsvoorheffing.

Nieuws

Al enige tijd is de rente zo laag dat de belegger geld moet geven om zijn geld te beleggen. Wat denkt de fiscus van die negatieve interesten?

Als een vennootschap dividenden uitkeert, dan is daar 30% roerende voorheffing (RV) op verschuldigd. Kmo’s kunnen die voorheffing vermijden door de winsten te reserveren (liquidatiereserve). Er is dan onmiddellijk een heffing van 10% verschuldigd, maar bij de vereffening van de vennootschap geldt er een belastingvrijstelling. Keert u vroeger uit, dan wordt er nog wel RV ingehouden.

Op 20 augustus 2021 publiceerde de Commissie voor boekhoudkundige normen (CBN) een advies over de wijze waarop herwaarderingsmeerwaarden geboekt moeten worden na de invoering in mei 2019 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV).

Schrijf u in op onze nieuwsbrief