Mobiliteitsbudget: verduidelijkingen

Sinds 1 mei 2019 kennen we het mobiliteitsbudget: de werkgever vervangt de bedrijfswagens door een budget dat de werknemer kan besteden in 3 pijlers: een andere bedrijfswagen, een duurzaam vervoermiddel of cash. De fiscus publiceerde onlangs enkele verrassende visies via haar FAQ op www.mobiliteitsbudget.be.

Hoe groot is het mobiliteitsbudget?

Vertrekpunt van het mobiliteitsbudget is dat u, de werkgever, aan het personeel dat een bedrijfswagen heeft of er recht op heeft, voorstelt om die wagen in te leveren in ruil voor een budget. De omvang van dat budget is daarom ook direct gerelateerd aan de prijs van het in te leveren voertuig. Het budget is gelijk aan de jaarlijkse bruto-kost van het voertuig in hoofde van de werkgever.
Is de wagen uw eigendom, dan bevat de brutokost de afschrijving van de kostprijs van de auto à rato van 20%, brandstof, sociale bijdragen, ...
In principe gaat het dus echt letterlijk om wat u betaalde voor het specifieke voertuig dat u terugneemt, inclusief opties, niet-aftrekbare btw, kortingen, ... De fiscus aanvaardt echter dat u een referentie-wagen gebruikt om die kostprijs te berekenen. Maar dan moet u dat wel doen voor ALLE werknemers die een bedrijfswagen hebben en bovendien moet u de methode die u kiest (berekening op basis van een referentiewagen of op basis van het individuele voertuig) gedurende 3 jaar aanhouden.

Pijler 1: een andere bedrijfswagen

Als de werknemer zijn voertuig inlevert dan kan hij het mobiliteitsbudget gebruiken in 3 pijlers.
Onder de eerste pijler gebruikt de werknemer het budget voor de vervanging van dat voertuig door een andere bedrijfswagen die minstens even milieuvriendelijk is.
Heeft u poolwagens (een klein aantal wagens waarvan de werknemers gebruik kunnen maken als het nodig is), dan mag u die niet omwisselen voor een mobiliteitsbudget. Ook de echte lichte vrachtwagen komt niet in aanmerking voor een mobiliteitsbudget. Ten slotte: u kan een elektrische wagen niet vervangen door een hybride wagen vermits een hybride per definitie niet milieuvriendelijker is dan een elektrische.

Pijler 2: een duurzaam bedrijfsmiddel

In pijler 2 gebruikt de werknemer het budget voor een duurzaam vervoersmiddel: een abonnement op openbaar vervoer, een fiets, zelfs de huur van een woning in de buurt van het werk, ... Als werkgever moet u niet alle mogelijke opties aanbieden.
De fiscus waarschuwt dat het duurzaam vervoermiddel niet mag aangekocht zijn vóór het budget werd toegekend. U kan bijvoorbeeld niet een fiets terugbetalen als de werknemer die al kocht voor het mobiliteitsbudget werd toegekend.
Als beide partners van een koppel een mobiliteitsbudget ontvangen, dan mogen zij niet allebei alles financieren met een mobiliteitsbudget. Uw werknemer zal u daarom moeten bevestigen dat de uitgave die hij/zij voorlegt om het budget te gebruiken, niet al eerder met een mobiliteitsbudget werd gefinancierd.

Pijler 3: cash

Wat de werknemer niet gebruikte in pijler 1 of 2, moet u cash uitbetalen aan de werknemer . Dat moet in één keer gedaan worden, samen met het loon van de maand januari van het volgende jaar. Het is niet toegestaan om dat saldo over te dragen naar het budget van het volgend jaar.
Opgelet: U heeft ook het recht niet om het saldo in te houden als de werknemer een voorwaarde van het mobiliteitsbudget niet zou naleven. Stel dat u bijvoorbeeld zou eisen dat minstens 50% van het budget in de tweede pijler moet gespendeerd worden, dan moet u het saldo uitbetalen, zelfs als de werknemer deze voorwaarde niet heeft nageleefd.

Nieuws

De berekening van het voordeel van alle aard voor de bedrijfswagen is onder meer afhankelijk van de CO2-uitstoot van het voertuig tegenover de ‘gemiddelde uitstoot van het Belgische wagenpark’. Die gemiddelde uitstoot ging in 2018 en 2019 naar omhoog waardoor het voordeel kleiner werd. Door een nieuwe wet kan dat niet meer.

Als een werknemer een bedrijfswagen ter beschikking krijgt, dan wordt hij belast op een voordeel van alle aard. Betaalt die werknemer een bijdrage voor die bedrijfswagen, dan is die bijdrage aftrekbaar van het voordeel. Kosten die werknemer zelf ten laste neemt, lijken daarentegen niet aftrekbaar van het belastbaar voordeel.

Dividenden zijn in principe onderworpen aan een roerende voorheffing (RV) van 30%. Er zijn enkele lagere tarieven waaronder voor dividenden van zogenaamde VVPR-bis aandelen. De fiscus heeft recent laten weten dat interimdividenden en tussentijdse dividenden uit VVPR-bis aandelen ook in aanmerking komen voor het verlaagd tarief.

Schrijf u in op onze nieuwsbrief