Grondwettelijk hof maakt hervorming van taks op vzw’s noodzakelijk

Het Grondwettelijk Hof oordeelde begin van dit jaar dat de vrijstelling van de vzw-taks op buitenlandse onroerende goederen juridisch niet te verantwoorden valt. De zaak betreft de vroegere wetgeving maar de vrijstelling voor buitenlandse onroerende goederen bestaat ook vandaag nog. Een wetswijziging lijkt onontkoombaar.

Taks tot vergoeding van de successierechten

De taks tot vergoeding van de successierechten, want zo heet de vzw-taks officieel, dateert van 1921. De taks werd ingevoerd samen met het juridisch kader voor vzw's. Het is een zuivere vermogensbelasting: de vzw ondergaat een heffing van (momenteel) 0,17% van het vermogen.

De inventiviteit van de fiscale wetgever scheerde ook in 1921 al hoge toppen: als goederen in handen van privé-personen zijn, dan staat het vast dat deze goederen vroeg of laat via successie zullen overgedragen worden. Omdat een vzw rechtspersoonlijkheid heeft, komen de goederen die zij bezitten nooit meer in aanmerking voor successie en ontsnappen zij dus aan de heffing van de successierechten. Om dit te compenseren voerde de wetgever dus een belasting in “tot vergoeding” of ter compensatie van de successierechten.

Tal van vzw's zijn vrijgesteld met als voornaamste categorie, de “kleine” vzw's. Dat zijn dan verenigingen waarvan de waarde van het geheel der bezittingen minder bedraagt dan 25.000 euro. Andere vrijgestelde vzw's zijn onder meer de instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen en vzw's die schoolgebouwen beheren.

In principe wordt de taks geheven op het totaal van alle bezittingen. Ook daar zijn enkele vrijstellingen voorzien zoals de nog verschuldigde interesten en huurgelden. Onroerende goederen zijn ook onderworpen aan de taks ... op voorwaarde dat ze in België gelegen zijn. Buitenlandse onroerende goederen zijn vrijgesteld.

Ongrondwettelijk onderscheid

Het Grondwettelijk Hof moest begin 2020 oordelen over een zaak die in 1999 gestart was. Ze heeft daarom betrekking op de “oude” wetgeving. In 2002 werden de bepalingen herschreven maar dat maakt niet zo veel verschil. Ook onder de nieuwe wetgeving is er een uitdrukkelijke vrijstelling voor buitenlandse onroerende goederen.

We grijpen even terug naar onze anekdote van hierboven: de taks is een compensatie voor successierechten. De successierechten bij het overlijden van een natuurlijke persoon, worden wel zonder onderscheid geheven op het volledig vermogen van de overledene. Roerend of onroerend, in België of in het buitenland: alles is onderworpen aan de Belgische en ondertussen gewestelijke belasting op nalatenschappen. Waarom dan niet de taks “ter vergoeding” van die successierechten?

De regering opperde nog als tegenargument dat vzw's slechts zelden buitenlandse onroerende goederen bezitten om hun maatschappelijk doel hier in België te verwezenlijken. Dat argument had misschien enige relevantie in 1921 maar 99 jaar later zijn er ook voor vzw's amper nog landsgrenzen en gaan Belgische vzw's ook veel gemakkelijker internationaal aan de slag.
Een ander argument van de regering was dat het sop de kool niet waard was: de controle op buitenlandse bezittingen zou te veel inspanning vergen voor wat de taks op die buitenlandse onroerende goederen zou kunnen opbrengen. Maar ook dat argument houdt geen stand voor het Grondwettelijk Hof omdat het onvoldoende gedocumenteerd wordt.

Weer een discriminatie weggewerkt?

Ja ... maar misschien is dat niet zo'n goed nieuws voor de vzw's. Als de wetgever de wetgeving aanpast, en dat kan vrijwel niet anders met dit arrest, dan lijkt de meest voor de hand liggende reactie die van het verwijderen van de vrijstelling.
De regering heeft momenteel nog wel andere zaken aan het hoofd maar de kans is toch klein dat een Belgische regering deze “van hogerhand opgelegde” belastingverhoging laat passeren.

Nieuws

Bij een inbreng, fusie of splitsing is het niet ongebruikelijk dat de partijen een bepaalde datum vastprikken voor de waardering van hun deal. Vervolgens worden nog diverse afspraken gemaakt en wordt het contract soms pas maanden later getekend. Hoe gaat de fiscus om met die terugwerkende kracht.

Eind 2020 verhoogde de wetgever het standaardtarief van de investeringsaftrek van 8% naar 25% voor de vaste activa die worden verkregen of tot stand gebracht tussen 12 maart 2020 en 31 december 2022. Daardoor ligt het standaardtarief hoger dan het ‘verhoogde tarief’. Welk tarief is toepasselijk voor investeringen die onder aanslagjaar 2023 vallen ?

Als de vennootschap een kost draagt die de bedrijfsleider ten goede komt, kán die uitgave volgens de bezoldigingstheorie beschouwd worden als een vergoeding voor het geleverde werk. Onder voorwaarden. Het Hof van Beroep van Antwerpen besliste onlangs dat een stijging van de omzet een goed argument is in die discussie.

Schrijf u in op onze nieuwsbrief