BTW op educatieve en wetenschappelijke evenementen via lokalisatiecriteria

Toegang tot wetenschappelijke en educatieve evenementen zijn onderworpen aan BTW in het land waar het evenement plaats vindt en niet waar de afnemer gevestigd is. België past deze regel toe als het evenement niet langer duurt dan één dag. Maar het lijkt erop dat dat weldra zal veranderen.

Europese belasting

Hoewel BTW een bij uitstek Europese belasting is, zijn er toch heel wat verschillen in de toepassing van die wetgeving in de verschillende lidstaten. Toegang tot wetenschappelijke en educatieve evenementen is daar een voorbeeld van.
In heel Europa geldt als regel dat een evenement aan BTW onderworpen is in het land waar het evenement plaats vindt. Maar wat is een evenement?

In België is er maar sprake van een evenement als de duur ervan niet langer is dan één dag. Als een evenement maar één dag duurt, is de BTW verschuldigd daar waar het seminarie doorgaat. Maar als het langer duurt, is BTW verschuldigd volgens de plaats van de afnemer. In Frankrijk bijvoorbeeld is er sprake van een evenement als het niet langer duurt dan 7 dagen. In Nederland maakt men een onderscheid tussen “aan een evenement deelnemen” en “toegang hebben tot een evenement”.
Het gevaar op dubbele BTW of omgekeerd geen BTW, is niet denkbeeldig.

Zaak Srf konsulterna

Het Europees Hof werd ondervraagd over een dergelijke situatie. Het betrof een Zweedse vennootschap (Srf konsulterna), opgericht door een beroepsvereniging van boekhouders. Deze vennootschap verzorgde opleidingen voor Zweedse boekhouders. De opleidingen stonden enkel open voor belastingplichtigen van wie de zetel van de bedrijfsuitoefening zich in Zweden bevond of er een vaste inrichting hadden.
Sommige van die opleidingen werden buiten Zweden georganiseerd. Die buitenlandse opleidingen duurden vijf dagen met een onderbreking van één dag.

Om zeker te zijn vroeg Srf konsulterna de mening van de Zweedse variant van onze rulingcommissie. Die commissie antwoordde dat ook de buitenlandse opleidingen beschouwd moeten worden als dienstverrichtingen die plaatsvinden in het land van de belastingplichtige afnemer (in casu Zweden). De redenering die de commissie maakte is dat het begrip „toegang tot evenementen” moet gezien worden als het recht om een bepaalde plaats te betreden.
Maar in het geval van Srf konsulterna gaat het om diensten die niet zozeer gaan over het recht om een bepaalde plaats te betreden, maar eerder over het recht om aan een specifieke opleiding deel te nemen en dus is de BTW wel in Zweden verschuldigd en niet in Spanje (de 5-daagse opleiding ging door in Palma de Mallorca).

BTW op de plaats waar de diensten worden verbruikt

Het Europees Hof is steeds van oordeel geweest dat BTW zo veel mogelijk moet geheven worden op de plaats waar de goederen en diensten worden verbruikt. Dat betekent in casu “op de plaats waar zij daadwerkelijk plaatsvinden, dus in de lidstaten waar die opleidingen worden gegeven”. Het Hof legt de feiten dat enkel Zweedse BTW-plichtigen kunnen deelnemen, de registratie vooraf gebeurt bij de Zweedse organisator en ook de betaling vooraf gebeurt, naast zich neer.

Terecht haalt Srf konsulterna aan dat de administratieve last op die manier wel erg zwaar wordt. Hoewel het Hof dat erkent, meent zij toch dat dit geen reden mag zijn om de richtlijn anders uit te leggen.

Standpunt van de Belgische administratie

In antwoord op een parlementaire vraag naar aanleiding van het bovenstaande arrest laat de minister weten dat de Belgische administratie haar standpunt over “toegang tot evenementen” zal veranderen. Ze zal de duur van het evenement niet meer beschouwen als het enige doorslaggevend criterium om een evenement te definiëren.
Dat is momenteel nog niet gebeurd maar het zal ongetwijfeld niet lang meer op zich laten wachten.

In dat nieuwe standpunt zal de BTW-administratie naast het element van de duurtijd van het evenement ook rekening moeten houden met andere criteria zoals het feit dat de educatieve activiteiten op voorhand zijn gepland, op een specifieke plaats plaatsvinden en betrekking hebben op een vooraf omschreven onderwerp.
In afwachting daarvan blijft u echter best de oude richtlijnen volgen.

Nieuws

De berekening van het voordeel van alle aard voor de bedrijfswagen is onder meer afhankelijk van de CO2-uitstoot van het voertuig tegenover de ‘gemiddelde uitstoot van het Belgische wagenpark’. Die gemiddelde uitstoot ging in 2018 en 2019 naar omhoog waardoor het voordeel kleiner werd. Door een nieuwe wet kan dat niet meer.

Als een werknemer een bedrijfswagen ter beschikking krijgt, dan wordt hij belast op een voordeel van alle aard. Betaalt die werknemer een bijdrage voor die bedrijfswagen, dan is die bijdrage aftrekbaar van het voordeel. Kosten die werknemer zelf ten laste neemt, lijken daarentegen niet aftrekbaar van het belastbaar voordeel.

Dividenden zijn in principe onderworpen aan een roerende voorheffing (RV) van 30%. Er zijn enkele lagere tarieven waaronder voor dividenden van zogenaamde VVPR-bis aandelen. De fiscus heeft recent laten weten dat interimdividenden en tussentijdse dividenden uit VVPR-bis aandelen ook in aanmerking komen voor het verlaagd tarief.

Schrijf u in op onze nieuwsbrief