De notionele intrestaftrek of aftrek voor risicokapitaal

Zoals reeds aangekondigd in ons vorige nieuwsbrief heeft de regering een nieuwe fiscale gunstmaatregel goedgekeurd, de notionele intrestaftrek genaamd.
Praktisch alle vennootschappen zullen van deze maatregel kunnen genieten zonder dat er ook tegenprestaties (zoals bv een investeringsverplichting) gevraagd worden.
In dit nummer gaan we dan ook deze nieuwe maatregel volledig ontleden.

Wat omvat de maatregel?
Vanaf het aanslagjaar 2007 zullen de vennootschappen hun belastbare basis mogen verminderen met een extra intrestaftrek in functie van haar eigen vermogen.
Dit betekent dus dat alle vennootschappen die deze extra intrestaftrek toepassen minder belastingen zullen betalen!

Wie kan van deze maatregel genieten?
Deze maatregel is in principe van toepassing op alle Belgische vennootschappen.
Hier speelt het geen rol of de vennootschap belast wordt tegen het verlaagd opklimmend tarief en het is evenmin van belang of het gaat om een KMO-vennootschap of een grote vennootschap.
Enkel volgende categoriën van vennootschappen zijn uitgesloten:
- coördinatiecentra
- beleggingsvennootschappen
- vennootschappen gevestigd in een reconversiezone
- Zeescheepsvaartvennootschappen

Hoeveel bedraagt de notionele intrestaftrek?
De notionele intrestaftrek is gelijk aan een percentage van het eigen vermogen van de vennootschap op de laatste dag van het vorige boekjaar.
Aangezien deze maatregel ingaat vanaf aanslagjaar 2007 (balansen per 31/12/2006) zal de aftrek voor de eerste keer berekend worden op het eigen vermogen per 31/12/2005.
Vennootschappen die afsluiten per 30/06 zullen deze maatregel voor het eerst kunnen toepassen op de balans die afsluit per 30/06/2007 (aanslagjaar 2007).  Hier zal dus het eigen vermogen per 30/06/2006 dienen als berekeningsbasis.

Het percentage is gelijk aan de gemiddelde rentevoet van de lineaire obligaties op 10 jaar, de OLO op 10 jaar.
Voor het aanslagjaar 2007 zal dus het tarief bepaald worden op basis van de gemiddelde rentevoet van 2005.
Inmiddels werd dit percentage vastgelegd op 3,442 % (Belgisch Staatsblad van 16 januari 2006)
Het tarief voor de volgende aanslagjaren wordt elk jaar opnieuw berekend maar zal niet meer dan 1% kunnen afwijken tov het tarief van het voorgaande jaar.
Er bestaat ook een absoluut plafond van 6,5%.

KMO-vennootschappen zullen genieten van een extra aftrek van 0,5%.  Dus hier bedraagt de aftrek 3,942 %.
Een KMO vennootschap is een vennootschap die voor het laatste afgesloten boekjaar niet meer dan één van de volgende criteria heeft overschreden:
- jaargemiddelde van 50 werknemers
- jaaromzet van 7.300.000 Euro
- een balanstotaal van 3.650.000 Euro
Een vennootschap met een jaargemiddelde van meer dan 100 werknemers is nooit een KMO vennootschap.

Wat gebeurt er bij een boekjaar dat langer of korter dan 12 maanden is?
Duurt het boekjaar langer of korter dan 12 maanden, dan wordt het tarief van de notionele intrest vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het totaal aantal dagen van het belastbare tijdperk en de noemer gelijk is aan 365.
Dit betekent dat het tarief pro rata op dagbasis evenredig vermeerderd of verminderd wordt als het boekjaar meer of minder dan 12 maanden bedraagt.
Stel dat een NV wordt opgericht per 01-10-2005 en dat het boekjaar loopt tot 31-12-06.  Het percentage dat voor de aftrek van risicokapitaal voor het aanslagjaar 2007 op deze NV van toepassing zal zijn = 3,942 x 457/365 = 4,936 % (tarief KMO)

Bij een pas opgerichte vennootschap wordt het risicokapitaal afgeleid uit de openingsbalans bij gebrek aan een voorgaand jaar.

Welke voorwaarden moeten er vervuld worden?
De vennootschap zal bij haar aangifte in de vennootschapsbelasting een bepaald formulier moeten voegen.
De Wet van 22 juni 2005 voorzag dat de vennootschappen een gelijkaardig bedrag op een afzonderlijke onbeschikbare reserverekening van het passief moesten boeken en dit voor een periode van 3 jaar.
Deze onaantastbaarheidsvoorwaarde werd inmiddels door één van de fiscale bepalingen in het Generatiepact volledig afgeschaft.
Verder zijn er evenwel geen extra voorwaarden aan gekoppeld.  Er is dus geen investeringsverplichting of een verplichting om extra middelen in te brengen.

Correcties op het eigen vermogen
Het eigen vermogen op de laatste dag van het vorige boekjaar dient als basis voor de berekening van de notionele intrestaftrek.
Dit eigen vermogen moet echter gecorrigeerd worden met een aantal posten.
Het eigen vermogen moet verminderd worden met volgende bedragen:
- de fiscale netto waarde van de eigen aandelen, de financiële vaste activa die bestaan uit deelnemingen en andere aandelen
- de fiscale netto waarde van aandelen in beleggingsvenootschappen waarop DBI aftrek kan worden genoten
- de netto investering (activa - passiva) van een vaste inrichting in landen met een verdrag
- de netto boekwaarde van buitenlandse onroerende goederen minus de erop rustende lasten waarvan de inkomsten vrijgesteld zijn bij verdrag en die niet behoren tot een vaste inrichting.
- De netto boekwaarde van materiële vaste activa in zover de kosten erop op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreffen
- De boekwaarde van beleggingen die door hun aard niet bestemd zijn om belastbare inkomsten op te brengen (bvb kunstwerken)
- De boekwaarde van onroerende goederen in gebruik door een zaakvoerder, bestuurder of vereffenaar (of echtgenoot of kinderen)
- Uitgedrukte niet gerealiseerde meerwaarden (herwaarderingsmeerwaarden)

Als de waarde van het eigen vermogen of één van de correctieposten gedurende het belastbaar tijdperk zelf is gewijzigd, dan moet het in aanmerking te nemen risicokapitaal naar gelang van het geval vermeerderd of verminderd worden met het bedrag van deze wijzigingen, berekend als gewogen gemiddelden waarbij de wijzigingen geacht worden te hebben plaatsgevonden de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin ze zich hebben voorgedaan.

Voorbeeld 1: Het eigen vermogen per 31/12/2005 bedraagt 100.000 euro.
Op 15 januari 2006 wordt het kapitaal verhoogd met 36.000 euro.  Van dit bedrag mag slechts 11/12de aan het risicokapitaal worden toegerekend, zijnde 33.000 euro zodat het in totaal 133.000 euro bedraagt.

Voorbeeld 2: Het eigen vermogen per 31/12/2005 bedraagt 200.000 euro.
De vennootschap heeft een optrekje in Toscana met een boekwaarde van 400.000 euro waarop en lening rust van 300.000 euro.
Op 15/06/2006 verkoopt de vennootschap dit onroerend goed.
In principe dient het bedrag van het eigen vermogen te worden verminderd met 100.000 euro (400.000-300.000) doch deze vermindering wordt, ingevolge de verkoop tijdens het boekjaar, gemilderd tot 50.000 euro (100.000 x 6/12de) zodat de notionele intrestaftrek berekend wordt op 150.000 euro (200.000-50.000).

Wat gebeurt er als de vennootschap verlies maakt?
Vennootschappen die verlies maken kunnen de aftrek voor risicokapitaal niet toepassen.
Dit betekent echter niet dat de aftrek verloren is.
Het bedrag van de notionele intrestaftrek dat tijdens het boekjaar zelf niet kan worden afgetrokken wordt immers overgedragen naar het volgende boekjaar.  De aftrek is maximaal 7 jaar overdraagbaar; pas het achtste jaar is hij verloren.

Compenserende Maatregelen
Het was al wel te denken.
Als de regering met de ene hand iets geeft, neemt zij met de andere hand wat terug.
Om deze fiscale stimulans mogelijk te maken worden een aantal bestaande fiscale stimuli opgedoekt.

a) Belastingkrediet

Vennootschappen die genieten van het verlaagd tarief en die hun kapitaal in geld verhoogden konden genieten van een belastingkrediet.  Die aftrek bedroeg 7,5% van het in geld gestorte kapitaal met een maximum van 19.850 euro.
Dit belastingkrediet verdwijnt vanaf het aanslagjaar 2007.

b) Investeringsaftrek

Vennootschappen hebben onder bepaalde voorwaarden recht op de enkelvoudige investeringsaftrek van 3% op de investering (vennootschappen waarvan de aandelen voor meer dan 50% toebehoren aan één of meerdere natuurlijke personen) of de gespreide investeringsaftrek van 10,5% op de afschrijvingen.
Voor investeringen vanaf het aanslagjaar 2007 zullen de vennootschappen geen investeringsaftrek (gewone en gespreide) meer krijgen.
De speciale investeringsaftrekken (octrooien, R&D, rationeler energieverbruik en beveiliging), blijven wel bestaan.

c) Fiscale berekening van meerwaarden

De fiscale berekening van meerwaarden wordt ook gewijzigd.
Opgepast: niet enkel voor meerwaarden op aandelen!!!
Voortaan is vanuit fiscaal standpunt een meerwaarde gelijk aan het verschil tussen de verkoopwaarde verminderd met de verkoopkosten en de boekwaarde van een actief.
Stel dat een vennootschap aandelen heeft met een fiscale boekwaarde van 1.000.  Ze worden verkocht voor 5.000 maar de makelaar stuurt een ereloonnota van 500.
Vroeger was de vrijstelbare meerwaarde 4.000 en kon de vennootschap daarenboven de 500 kosten aftrekken van andere belastbare winst.
Vanaf aanslagjaar 2007 zal de vrijstelbare meerwaarde slechts 3.500 zijn.

 d) herleiden van het inbrengrecht van 0,5% naar 0%

Een inbreng van kapitaal in een vennootschap is momenteel onderworpen aan een inbrengrecht van 0,5%.
Vanaf aanslagjaar 2007 wordt dit inbrengrecht herleid naar 0%.

Notionele intrestaftrek en investeringsreserve
Vennootschappen die het verlaagd tarief genieten kunnen 50% van de aangroei van reserves (in principe de boekhoudkundige winst) met een maximum van 18.750 Euro vrijstellen op voorwaarde dat ze binnen de 3 jaar nieuwe investeringen doen ten belope van het vrijgestelde bedrag.
Deze investeringsreserve blijft evenwel bestaan na de invoering van de notionele intrestaftrek.
Doch beide maatregelen kunnen niet samen toegepast worden.
Een vennootschap die de notionele intrestaftrek wil toepassen zal dus geen deel van haar winst kunnen vrijstellen door een investeringsreserve aan te leggen.

OPGELET
Kiest de vennootschap voor aanslagjaar 2007 voor de investeringsreserve dan verliest ze niet alleen voor dat jaar de notionele intrestaftrek, maar ook voor de 2 volgende jaren.
Dit geldt nog niet indien er voor aanslagjaar 2006 een investeringsreserve wordt aangelegd.  De aftrek voor risicokapitaal blijft dan wel mogelijk voor het aanslagjaar 2007.
Andersom geldt dit echter niet.  Wordt voor aanslagjaar 2007 de aftrek risicokapitaal toegepast dan kan er het volgende jaar, aanslagjaar 2008, reeds opnieuw een investeringsreserve worden aangelegd.
Maar dan geldt deze keuze meteen ook voor de 2 volgende aanslagjaren!!!

Er is echter nog een belangrijk verschil tussen de investeringsreserve en de aftrek voor risicokapitaal.  Deze situeert zich op het vlak van de onaantastbaarheidsvoorwaarde.
Bij de investeringsreserve moet de vennootschap een bedrag gelijk aan de vrijgestelde winst op een aparte onbeschikbare reserverekening boeken. Bij de aftrek voor risicokapitaal bestaat deze voorwaarde niet! 
Bij de investeringsreserve moet deze voorwaarde eeuwig vervuld blijven.  Dit wil zeggen dat de investeringsreserve ooit opnieuw zal belast worden, namelijk bij ontbinding van de vennootschap.
Om de aftrek voor risicokapitaal te kunnen genieten moet de vennootschap eigenlijk niets doen. 
Bij de investeringsreserve moet de vennootschap binnen de termijn van 3 jaar investeringen doorvoeren voor een bedrag gelijk aan de investeringsreserve.
Om van de investeringsreserve te kunnen genieten moet de vennootschap genieten van het verlaagd tarief.  Dit is niet vereist voor de aftrek voor risicokapitaal.
Een vennootschap die tegen het gewoon tarief belast wordt (bvb omdat haar aandelen voor mee dan 50% in handen zijn van een andere vennootschap) heeft dus geen recht op een investeringsreserve en zal dus sowieso voor de notionele intrestaftrek moeten opteren.
Omdat de investeringsreserve berekend wordt op de aangroei van de reserves zal een vennootschap die verlies boekt (afname van reserves) geen investeringsreserve kunnen aanleggen.  De aftrek voor risicokapitaal blijft wel mogelijk. Het bedrag waarop de vennootschap recht heeft wordt immers overgedragen naar de volgende 7 boekjaren.

PRAKTISCH VOORBEELD
De vennootschap X heeft volgende balans per 31/12/2005

BALANS PER 31/12/2005     
     
ACTIVA   PASSIVA  
     
     
Gebouw 400.000  Kapitaal 125.000 
     
Machines en uitrusting 200.000  Beschikbare reserves 375.000 
     
Deelnemingen 50.000  Overgedragen resultaat 100.000 
     
Vorderingen 140.000  Banklening 250.000 
     
Voorraden 100.000  Leveranciers 100.000 
     
Belegging in aandelen 50.000  Rekening Courant 50.000 
     
Liquide middelen 60.000    
     
TOTAAL 1.000.000  TOTAAL 1.000.000 
     
     
EIGEN VERMOGEN     
     
Kapitaal 125.000    
Beschikbare reserves 375.000    
Overgedragen resultaat 100.000    
     
TOTAAL 600.000  

Onze venootschap heeft dus een basis eigen vermogen van 600.000.
Op dit bedrag moeten een aantal correcties worden toegepast:

Eigen vermogen per 31/12/2005  600.000
Deelnemingen     - 50.000
Belegging in aandelen    - 50.000
      ----------
Basis voor de notionele intrestaftrek 500.000

Een aantal varianten

1. De bedrijfsleider woont in het gebouw

Oorspronkelijk eigen vermogen 500.000
Correctie         - 400.000
     ----------
Gecorrigeerd eigen vermogen 100.000

2. De belegging in aandelen wordt verkocht op 15/06/2006

Oorspronkelijk eigen vermogen 500.000
Correctie         -   25.000  (50.000 x 6/12de)
    ----------
Gecorrigeerd eigen vermogen 475.000

3. Het gestort kapitaal wordt op 15/01/2006 verhoogd met 60.000

Oorspronkelijk eigen vermogen 500.000
Correctie         +     55.000  (60.000 x 11/12de)
    ----------
Gecorrigeerd eigen vermogen 555.000


Berekening notionele intrestaftrek
Onze vennootschap heeft dus een gecorrigeerd eigen vermogen van 500.000 per 31/12/2005.  We veronderstellen een belastbare winst voor het boekjaar 2006 (aanslagjaar 2007) van 50.000 euro en een notionele intrestaftrek van 3,942%.

Met aftrek  Zonder aftrek

 Oorspronkelijke winst  50.000,00  50.000,00
 Aftrek risicokapitaal         -  19.710,00          0,00
 Belastbare winst  30.290 ,00  50.000,00
 Belastingen 33,99%  10.295,57  16.995,00
 
Belastingbesparing    6.699,43

BESLUIT
Al bij al een mooie maatregel waarvan in principe alle vennootschappen zullen kunnen genieten.  Heel wat extra rekenwerk voor de accountant alvorens de jaarbalans zal kunnen afgewerkt worden.  Denk maar aan alle correcties op het eigen vermogen die moeten in kaart gebracht worden.  En precies op dat vlak verwachten we ook nog heel wat interpretatieproblemen met de fiscus.  De toekomst zal dit moeten uitwijzen.

Marc Forceville
Accountant-Belastingconsulent.