Btw-vrijstelling voor medische en paramedische beroepen

Goed nieuws voor de beoefenaars (en klanten) van osteopatie, chiropraxie en esthetische chirurgie: hun activiteiten werden in 2015 uitgesloten van de btw-vrijstelling voor medische beroepen. Vier jaar later, op 27 juni 2019 geeft het Europees Hof van Justitie hen gelijk in hun strijd tegen deze uitsluiting.

Btw-vrijstelling

We moeten even terug naar 2015, en meer bepaald de wet van 26 december 2015.
Prestaties van medische en paramedische beroepen, ziekenhuisverpleging en medische verzorging zijn in principe niet aan btw onderworpen. Maar die wet van 26 december 2015 wijzigt deze vrijstelling. Vanaf 1 januari 2016 worden ingrepen en behandelingen met een esthetisch karakter uitgesloten van de btw-vrijstelling. Bovendien is de btw-vrijstelling voor zogenaamde paramedische beroepen voortaan afhankelijk van de erkenning en reglementering als paramedisch beroep en van de opname van de diensten in de RIZIV-nomenclatuur
Een flinke streep door de rekening van onder meer chiropractors en osteopaten omdat de prijs van hun prestaties met 21% stijgt. Ook de beroepsvereniging van esthetisch chirurgen, individuele privéklinieken en plastisch chirurgen gaan de strijd aan: ze leggen hun bezwaren voor aan het Grondwettelijk Hof.

Het Grondwettelijk hof over esthetische ingrepen

Het Grondwettelijk Hof oordeelt al snel (28 september 2017) dat er sprake is van discriminatie en wel op grond van meerdere overwegingen. Het criterium of de prestatie al dan niet is opgenomen in de RIZIV-nomenclatuur is voor het Hof geen relevant onderscheid. Zij zien verder ook discriminatie omdat “artsen" onderworpen zijn aan btw als zij behandelingen of ingrepen met een esthetisch karakter uitvoeren, terwijl "niet-artsen" (bv. tandartsen, vroedvrouwen, verpleegkundigen, ...) niet btw-plichtig zijn terwijl ze gelijksoortige ingrepen of behandelingen uitvoeren.

Maar voor de vraag van de paramedische beroepen roept het Grondwettelijk Hof de hulp in van het Europees Hof van Justitie. En dat Hof heeft nu, nog eens 2 jaar later (27 juni 2019) zijn antwoord klaar.

Het Hof van Justitie over paramedische beroepen

Het antwoord van het Europees Hof behandelt in essentie de vraag of de Belgische wetgever de btw-vrijstelling voor paramedische beroepen mag voorbehouden aan “erkende” paramedisch beroepen en de btw-vrijstelling mag beperkt worden tot de behandelingen die opgenomen zijn in de RIZIV-nomenclatuur.

Het Hof bevestigt dat lidstaten in het algemeen het recht hebben om de btw-vrijstelling voor medische verzorging voor te behouden aan beroepen die een voldoende kwaliteitsniveau behalen. De reglementering van het beroep is één van de methoden die daar kunnen voor gebruikt worden maar op zich niet voldoende. Daarom mag België de btw-vrijstelling niet beperken tot “erkende” paramedisch beroepen.

Het Hof van Justitie over medicijnen bij esthetische ingrepen

Een ander gevolg van de nieuwe wetgeving van december 2015 was dat medicijnen die verstrekt worden voor een esthetische ingreep of behandeling onderworpen zijn aan het standaard tarief van 21% (terwijl dat voor medicijnen bij een therapeutische ingreep of behandeling maar 6% is). En daar heeft het Europees Hof geen probleem mee. Dat onderscheid blijft dus wel behouden.

Next ...

Het Europees Hof van Justitie heeft dus geantwoord op de vragen van het Grondwettelijk Hof dat nu de vragen kan beantwoorden van de betrokken beroepsverenigingen. De btw-administratie is ongetwijfeld al hard in de weer om uit te zoeken hoe ze de ten onrechte betaalde btw terug kunnen storten.

Nieuws

De berekening van het voordeel van alle aard voor de bedrijfswagen is onder meer afhankelijk van de CO2-uitstoot van het voertuig tegenover de ‘gemiddelde uitstoot van het Belgische wagenpark’. Die gemiddelde uitstoot ging in 2018 en 2019 naar omhoog waardoor het voordeel kleiner werd. Door een nieuwe wet kan dat niet meer.

Als een werknemer een bedrijfswagen ter beschikking krijgt, dan wordt hij belast op een voordeel van alle aard. Betaalt die werknemer een bijdrage voor die bedrijfswagen, dan is die bijdrage aftrekbaar van het voordeel. Kosten die werknemer zelf ten laste neemt, lijken daarentegen niet aftrekbaar van het belastbaar voordeel.

Dividenden zijn in principe onderworpen aan een roerende voorheffing (RV) van 30%. Er zijn enkele lagere tarieven waaronder voor dividenden van zogenaamde VVPR-bis aandelen. De fiscus heeft recent laten weten dat interimdividenden en tussentijdse dividenden uit VVPR-bis aandelen ook in aanmerking komen voor het verlaagd tarief.

Schrijf u in op onze nieuwsbrief